Herkenning en Preventie

HERKENNEN VAN SPIJSVERTERINGSPROBLEMEN


Cavia’s kunnen NIET braken!


Spijsverteringsproblemen kunnen zich uiten als diarree, verstopping, buikpijn en algemene veranderingen in de houding van het dier. Hoe kunt je vaststellen dat uw cavia last heeft van een spijsverteringsprobleem? Observeer het diertje kritisch en let vooral op de ontlasting, de vorm van de buik en de buikgeluiden, het (eet)gedrag, de motoriek en de tekens van pijn.

Ontlasting
Gez​​onde keutels zie je op de afbeelding. De kleur is bruin (evt. groenig bij veel groen in de voeding). De consistentie is vast maar niet uitgedroogd. Plakkerige (zachte) en vormloze keutels wijzen op diarree. Bij verstopping zie je kleine en droge keuteltjes, vaak aan elkaar geplakt met slijm. Rood gekleurde ontlasting kan op de aanwezigheid van bloed wijzen. Bleke en vettige ontlasting wijst op lever- en galweg problemen. Zwarte ontlasting (melena) wijst op bloedingen ten hoogte van de maag en de dunne darm; dit is altijd een medische noodsituatie.

De buik
Deze moet strak en soepel zijn. Bij palpatie mag men geen zwellingen of harde knobbels voelen. De palpatie mag geen pijn doen. Harde, pijnlijke en opgezette buik wijst op gaskolieken (trommelzucht). Klop zachtjes tegen de buik: een holle klank wijst op gas. Opgezette linkerkant wijst op gas in de maag, maar dit hoeft niet direct een noodsituatie te zijn (gas in de maag is aanwezig ook bij gezonde cavia’s). Opgezette rechterkant en pijnlijke onderbuik wijzen op gas in het caecum en de dikke darm; dit is ernstig. Bij auscultatie (luisteren met een stethoscoop) hoort u zacht pruttelende geluiden (borborygmi) veroorzaakt door de darmbeweging. Als u geen geluid hoort is er een noodsituatie.

Eetgedrag
Komt het diertje niet meer enthousiast naar het eten toe? Dit kan op verschillende problemen wijzen, maar een spijsverteringsprobleem is vaak de hoofdverdachte (DDx: anorexie wordt ook veroorzaakt door pijn, kiesproblemen, overige ziekten). Bij diarree blijft de cavia meestal goed eten, en stopt pas als de toestand zeer serieus of terminaal wordt. Bij gaskoliek (trommelzucht) daarentegen stopt de cavia met eten onmiddellijk nadat de klachten ontstaan.

Motoriek
Buikpijn veroorzaakt ernstige motoriek problemen.

De symptomen van buikpijn zijn:
Gespannen zitten en de achterhand zo weinig mogelijk bewegen
Bij sterkere pijn blijft de cavia meestal liggen, of ze loopt een paar stapjes en gaat meteen weer liggen
Het dier probeert de buik te ontlasten – het ligt dus met een buik iets hoger en de hele voorhand, inclusief kop, omlaag (de cavia steunt op haar borstkas, zgn. sternale decubitus)
Het lijkt alsof de cavia “verlamd” is

Overige (niet specifieke) tekens van pijn zijn:
Tandenknarsen
Gebold zitten
Rechtopstaande vacht

Bij zeer ernstige buikpijn (zoals na darmperforatie) zal de cavia stuiptrekkingen tonen en van pijn krijsen. (DDx: buikpijn kan ook oorzaken buiten het spijsverteringsstelsel hebben, zoals eierstokcystes bij zeugen, blaas- en nierproblemen (echter, deze problemen zijn meestal chronisch, terwijl spijsverteringsproblemen plots ontstaan)


Buikpijn bij infectieuze diarree, voedselvergiftiging, gaskoliek, buikvliesontsteking of na een buikoperatie is hevig. Het is een van de ergste soorten lijden; dieren gaan vaak dood van pijn. In dergelijke gevallen moet men altijd aan pijnbestrijding denken


PREVENTIE VAN SPIJSVERTERINGSPROBLEMEN

De meeste spijsverteringsstoornissen ontstaan door verkeerde voeding en te weinig aandacht voor hygiëne in de huisvesting van de cavia. De problemen kunnen in vele gevallen voorkomen worden.

Hygiëne en huishouding binnen

Een vuil hok
Dit is de bekendste bron van darminfecties. Vervuilde vochtige bodembedekking is een perfect kweekmilieu voor micro-organismen: bacteriën (sommige enterobacteria, Listeria), protozoa (coccidia, Trichomonas) en schimmels. De infectiedruk wordt zeer hoog bij hoge temperaturen en bij overbezetting van de hokken.

Ruimte
De cavia mag niet minder dan 0.25 m2 ruimte (ca. 40 x 60 cm) ter beschikking hebben. Dit is een wettelijk minimum voor laboratorium dieren. Bij te kleine huisvesting en teveel dieren op een klein oppervlak wordt de hygiëne slechter, en de weerstand van de cavia’s lager (vanwege stress). De kans op de uitbraak van ziektes wordt hoger. Bovendien: cavia’s die weinig kunnen bewegen krijgen vaker last van verstopping en gaskolieken.

Bodem
Het hok moet voorzien zijn van een absorberende bodemlaag, die de urine opneemt. Het kan een stuk dik karton, of een laag zaagsel, aubiose of geperste houtkorrels zijn. Geperste houtkorrels (voor de kachel) zijn hygiënisch, compact, zuinig in gebruik en voordelig. Ze zijn te koop in de meeste doe-het-zelf zaken. Zaagsel van naaldbomen belet de ontwikkeling van bacteriën, wat gunstig is voor de hygiëne in de hok. Echter, harsachtige substanties van naaldbomen worden soms geassocieerd met leverschade bij knaagdieren. Leverschade speelt enkel een rol bij orale inname van zaagsel; het probleem is nog niet goed onderzocht. Uit voorzorg raden wij aan om zaagsel van naaldbomen met mate te gebruiken, en met een dikke laag hooi te bedekken zodat de cavia’s er niet van kunnen eten. Om de hygiëne verder te verbeteren kan men absorberend en zuiverend mineralenpoeder (bv Mistral, voor het gebruik in potstallen in veeindustrie) over de bodem strooien.

Hooi
Hooi moet droog zijn en fris ruiken. Kleverig en slecht (“naar paddenstoelen”) ruikend hooi bevat schimmels. Het is beter om de hele partij weg te gooien, want intoxicatie met beschimmeld hooi is dodelijk.

Schoonmaak
De verblijven moeten regelmatig schoongemaakt worden, bij voorkeur met ontsmettende middelen (chloorwater – eau de javel, quarternaire ammonium verbindingen of 70% alcohol). Extra voorzorg is nodig bij uitbraken van diarree en andere ziekten. De caviahok mag in geen geval ruiken naar urine (ammoniak). Zachte ontlasting moet zo snel mogelijk uit de hok verwijderd worden (Clostridium sporen!). Hetzelfde geldt voor voederresten. Geef de cavia niet veel meer dan hij/zij kan opeten, controleer en verwijder de resten zodra ze niet meer fris zijn.

Hygiëne en huishouding buiten

Dieren die buiten verblijven worden blootgesteld aan meerdere risico’s. Naast de bovengenoemde factoren (hygiëne, kwaliteit bedding), kunnen de “ongewenste gasten” ook voor problemen zorgen.

Insecten
Vele insecten (vliegen, dazen, muggen) kunnen ziektekiemen mechanisch overbrengen: E. coli, Campylobater, coccidia en andere pathogenen die in de ontlasting van dieren aanwezig zijn. Men moet er vooral rekening mee houden in de buurt van industriële veehouderijen: pluimvee-, varkens- en runderbedrijven. Een bijkomend gevaar van de aanwezigheid van bioindustrie zijn de bloedzuigende (Heamatobia irritans, Haematobosca stimulans) en vleesetende (Lucilia, Cochliomyia, Wolfhartia en veel andere) vliegen en dazen. Een toevallige uitbraak van diarree bij cavia’s trekt vliegen aan, en heeft vaak de dodelijke madenziekte (myasis) tot gevolg. Uit dit oogpunt is het niet aan te raden om cavia’s buiten te houden, als men bijvoorbeeld naast een varkens- of een melkveebedrijf woont. Maar als de cavia’s binnenshuis wonen is het ook verstandig om insecten te bestrijden.

Knaagdieren
Wilde knaagdieren (muizen, ratten) vormen een natuurlijk reservoir van ziekten zoals salmonellose en rodentiose (yersiniose). De buitenverblijven moeten zodanig dicht zijn, dat de knaagdieren er niet binnen kunnen dringen (een muis kan door een spleet van 1 cm). Muizen hebben de neiging om de eetbakken van cavia’s te vervuilen met urine en ontlasting. Op deze manier worden er veel ziekten doorgegeven naar de cavia populatie. Denk er aan dat het over ziektekiemen gaat waar cavia’s dragers van kunnen worden. Neem dus geen cavia van een opvang of een fokker als u sporen van muizenactiviteiten in de caviahokken vindt. Deze cavia is mogelijk latent besmet en kan uw overige dieren ziekmaken. Muizen herkent u aan hun zeer penetrerende specifieke geur.

Vogels
Cavia’s die veel contact hebben met pluimvee lopen risico besmet te raken met Salmonella en Campylobacter. Wilde vogels zijn een natuurlijk resevoir van yersiniose, sommige protozoa en overige parasieten. De besmetting vindt echter plaats niet in de caviahok, maar door het opnemen van groenvoer vervuild met vogelmest (zie verder). De periode van het grootste risico is voor- en najaar, omdat de temperaturen hoog zijn, er veel insecten en overige dieren aanwezig zijn en de weerstand van de cavia’s op zijn laagst is

VOEDINGSFOUTEN

Spijsverteringsproblemen worden vaak veroorzaakt door:
a) ongebalanceerde voeding
b) bedorven of besmet voer
c) voeders die ongeschikt zijn voor de cavia

Ruwvoeders versus Krachtvoer (zetmeel)
Het meest voorkomende voedingsfout is de verkeerde ruwvoer tot krachtvoer verhouding. Ruwvoeders zijn de belangrijkste bronnen van vezels: onoplosbare (cellulose, hemicellulose) en oplosbare (pectine, fructan, beta-glucan). Hooi, stro, zemelen, alle verse of gedroogde planten leveren voornamelijk onoplosbare vezels. Bietenpulp is een goede bron van oplosbare vezels. Oplosbare vezels zitten ook in vers jong gras (fructan) en in haver (beta-glucan). Vezels zijn onmisbaar voor het in stand houden van de gezonde (cellulose-afbrekende) darmflora.

Cavia’s kunnen slechts een beperkte hoeveelheid zetmeel verteren in hun dunne darm. De rest wordt afgebroken door microben in de blinde en dikke darm. Dit leidt tot een verschuiving van de bacteriële flora: de cellulose-afbrekende flora wordt onderdrukt en vervangen door de zetmeel-afbrekende flora. Deze verschuiving is ongunstig voor de cavia, omdat de darminhoud verzuurt en bepaalde bacteriële toxines worden vrijgesteld. Het is een algemeen probleem, dat men ook bij grote huisdieren (paarden, runderen) ziet.

Let op het vezel- en zetmeelgehalte in de caviavoeding. Ruwvoeders bevatten tot 40% vezels en geen zetmeel. De commerciële krachtvoeders (pellets) bevatten slechts 10-20% ruwe vezels en meestal meer dan 50% zetmeel (het is niet verplicht om het zetmeelgehalte te vermelden op de verpakking). Havervlokken, muesli en droog brood bevatten 60 tot 90% zetmeel. Voor een gezonde verhouding van ruw- tot krachtvoeders kan men dezelfde richtlijnen gebruiken als voor paarden: ten minste evenveel ruwvoer als krachtvoer (per gewicht) en maximaal 10-15 g zetmeel per dag. In de praktijk worden deze regels zelden gevolgd. Zetmeelrijk krachtvoer is immers gemakkelijk in gebruik, en cavia’s vinden het lekker. Een cavia krijgt zonder moeite 50 g krachtvoer per dag op, waardoor de zetmeelinname ten minste 25 g is. Zetmeel is energierijk en verzadigend; de cavia zal dan geneigd zijn de overige voeders (hooi) te laten staan.

Eet je cavia voldoende ruwvoeders? Ruwvoeders zijn volumineus en pellets zijn compact: een handjevol pellets weegt vaak meer dan een “berg” hooi. Het mag wel lijken dat de cavia veel hooi eet, maar per gewicht is het vaak te weinig. Op de afbeelding worden er dezelfde gewichten (50 g) hooi en pellets afgebeeld. Dit is de minimumverhouding hooi tot pellets; idealiter moet de cavia nog meer hooi eten.

Sommige cavia’s krijgen een klein plukje hooi in een hooiruifje; daardoor is hun ruwvoeder inname onvoldoende. Meestal worden deze cavia’s aangeboden voor diergeneeskundig onderzoek vanwege chronische spijsverteringsproblemen en gebitsafwijkingen.


De gevolgen van een verkeerde ruwvoer tot zetmeel verhouding zijn: vertraging van de darmpassage en chronische dysbacteriose – verstoring van de darmflora


De cavia is minder in staat cellulose te verteren, waardoor hij/zij gemakkelijk diarree krijgt van groente en planten. De periodes van verstopping en gaskolieken worden afgewisseld door periodes van diarree en/of plakkerige slecht ruikende ontlasting. De cavia kan kiesproblemen ontwikkelen omdat er onvoldoende vezels beschikbaar zijn om de kiezen te slijten. Voetzoolzweren (pododermatitis) komen opvallend vaak voor bij een zetmeelrijk dieet, en worden geassocieerd met de uitscheiding van schadelijke stoffen door de zetmeel-afbrekende microben in de darm. De algemene conditie van het dier wordt benadeeld. Dit is een zeer typisch klinisch beeld.


Het advies is altijd hetzelfde: verminder de krachtvoeders, geef de cavia volop hooi en introduceer geleidelijk verse groente en gras


Gebruik hooi als bodembedekking, zodat de cavia altijd ervan kan eten. Dit voorkomt ook verveling en gerelateerde gedragsproblemen (agressie, stereotypisch gedrag).

Eiwit
Cavia’s hebben een laag behoefte aan voedereiwit. Het beste eiwit wordt immers gesynthetiseerd door de gezonde darmflora. Dit eiwit is hoogwaardig en gebalanceerd: het bevat alle essentiële aminozuren in de juiste verhoudingen. Coprofagie (het opeten van de ontlasting) dekt volledig de behoefte aan eiwit.

Eiwit kan in beperkte hoeveelheid via het voer geïntroduceerd worden. Externe eiwitbronnen zijn vooral van belang voor zieke dieren, die hun ontlasting niet kunnen of willen opeten. Niet iedere eiwitbron is geschikt. Een ongebalanceerde bron levert niet alle essentiële aminozuren. De zwavelhoudende aminozuren (methionine) zijn ondervertegenwoordigd in vlinderbloemigen (Leguminosae of Fabaceae), zoals luzerne, klaver enz. Te weinig methionine in het voer veroorzaakt slechte vacht. Lysine (het belangrijkste aminozuur voor de opbouw van spieren) is onvoldoende aanwezig in granen. Tekort aan lysine leidt tot spieratrofie. Men kan granen en luzerne combineren om een gebalanceerd eiwitbron te verkrijgen, maar het blijft moeilijk om de juiste proporties te vinden. De beste natuurlijke eiwitbron is soja: de aminozuursamenstelling is nagenoeg perfect. Daarom worden sojaproducten gebruikt voor het bijvoeren van zieke cavia’s.

De vertering en de opnamecapaciteit van eiwit in de dunne darm is beperkt. Bij zeer eiwitrijke voeding komt het overschot aan eiwit onverteerd in de blinde darm terecht. Dit beschadigt de cellulose-verterende darmflora en bevordert de groei van rottingsbacteriën (Clostridium spp.). Een eiwitrijke voeding kan dus serieuze endogene darminfecties tot gevolg hebben. Een onaangenaam ruikende ontlasting is een van de eerste waarschuwingstekens: de eigenaar dient dan het dieet te herzien en de eiwitinname te beperken.

De commerciële caviapellets zijn relatief rijk aan eiwit: 17% in Supreme Gerty Guinea Pig Food en vergelijkbaar in andere producten. Een cavia die enkel pellets krijgt, krijgt dus relatief teveel aan eiwit binnen. Het hoeft niet altijd problemen te veroorzaken, maar het kan wel chronische darmklachten bij zwakke en gevoelige cavia’s verklaren. Teveel aan eiwit is ook belastend voor de nieren. Het eiwitgehalte van hooi en verse groente is laag: hooi bevat 7-10% eiwit in droge stof, en de meeste groente rond 5% (wortel). Voeders met een eiwitgehalte van minder dan 10% in droge stof zijn gunstig voor de spijsvertering van de cavia.

Suiker en Snoep
De vertering en de opnamecapaciteit van suikers in de darm is ook beperkt. Het overschot wordt gefermenteerd in de blinde darm. Suikers onderdrukken de werking van de cellulose-afbrekende flora, en bevorderen de groei van verschillende ziektekiemen: E. coli, clostridia en gisten. De cavia mag dus nooit grote hoeveelheden suiker krijgen, zeker geen melksuiker (lactose) en geen tafelsuiker (sucrose).

Melksuiker (in melkproducten) is onverteerbaar voor een volwassene cavia en kan tot ernstige gasvorming in de blinde darm leiden
Simpele suikers, zoals glucose en fructose worden beter opgenomen, maar daar zit ook een limiet aan. Wij adviseren glucose en fructose enkel aan zieke dieren te voeren, en niet meer dan 1 g per kg lichaamsgewicht per keer te geven.
Suikerrijke cavia- of knaagdiersnoep (yoghurtdrops enz.) zijn zeer ongunstig voor de spijsvertering en dienen geheel vermeden te worden. Als u de cavia wilt belonen met een energierijk snoepje, geef beter een kleine hoeveelheid havermout of ongezoete cornflakes.

Bevroren, gekookte en bedorven groente
Cavia’s mogen enkel verse rauwe groente krijgen. De groente mag vanzelfsprekend niet rot of beschimmeld zijn. Vergiftiging met schimmelgifstoffen (mycotoxines) is fataal. Het inademen van schimmelsporen kan ook fatale gevolgen hebben. Laat de groente niet te lang in de kooi liggen, verwijder de resten zodra u tekens van bederf ziet. Stapel de groente niet op elkaar in de voerbak, anders gaan de onderste lagen gisten.

Bevroren of gekookte groenten mag niet gevoerd worden. Deze groenten zijn op zichzelf niet schadelijk of giftig, maar ze bederven zeer snel. Na het koken of bevriezen is de celstructuur vernietigd, waardoor de plant meteen gekoloniseerd wordt door (pathogene) bacteriën, schimmels en protozoa. Kapotte en dode cellen zijn immers de perfecte voedingsbodem voor micro-organismen.

Groenvoer van buiten
Groenvoer is het natuurlijke, zeer waardevolle voeder voor de cavia. Een cavia die veel gras, paardenbloem, weegbree en andere voederplanten krijgt, evt. aangevuld met goede-kwaliteit hooi, heeft eigenlijk geen andere voeders meer nodig. Groenvoer dekt volledig de behoefte aan vitamine C en overige vitamines. Het bevat ook veel hoogwaardige vezels en mineralen. Bovendien levert groenvoer heel veel vocht, zodat het dier nooit kan uitdrogen. Veel groenvoer op het menu is bevorderlijk voor de gezondheid van de cavia.

Maar het voeren van groenvoer van buiten brengt ook gevaren met zich mee:
1. Microben en parasieten
Het grootste gevaar is de besmetting met ziektekiemen. Groenvoer is vaak vervuild met de ontlasting van verschillende dieren: honden, katten, vogels en wilde knaagdieren. Zo komen cavia’s in contact met o.a.E. coli, Yersinia, Salmonella, eencellige parasieten en wormen.

2. Pesticiden
Landbouwgif wordt intensief gebruikt om onkruid en insecten te verdelgen. Bijvoorbeeld, jonge maïsplanten worden bespoten in een 3-6 blad stadium (afhankelijk van het schema). Ook de particulieren gebruiken veel bestrijdingsmiddelen om tuinen en opritten vrij van onkruid te houden. Het overschot aan de bestrijdingsmiddelen wordt veelal langs de weg uitgegoten; de gif verspreidt zich in de omringende grasvelden. De toxiciteit van pesticiden varieert. De meeste herbiciden zoals glyfosaat (Roundup) of MCPA hebben een lage acute toxiciteit. Ze kunnen echter op termijn nier- en leverschade veroorzaken. Insecticiden zijn daarentegen meestal zeer giftig. De bekendste insecticiden zijn organofosfaten en organocarbamaten (bv aldicarb). Hun werking is gebaseerd op de remming van het enzym acetylcholine (ACh) esterase – het enzym dat acetylcholine verwijdert. Dit leidt tot ophoping van ACh (een excitatorische neurotransmitter) en overmatige stimulatie van de meeste spieren (spastische paralyse). Bij hoge inname gaat da cavia dood door verstikking. In lichtere gevallen zien wij uitputtende diarree en veel speeksel productie, omdat ACh de spieren en de klieren in het spijsverteringssysteem stimuleert.

3. Gemaaid gras of gepureerde groente
Zelfs als het groenvoer (in principe) vrij is van vervuiling, is het niet altijd veilig. Gemaaid gras is en bekende bron van spijsverteringsproblemen. Op zich is vers gemaaid gras is niet schadelijk, maar door het maaien gaan de plantencellen kapot. Als men gemaaid gras enkele uren laat liggen, komt er gegarandeerd vervuiling in: bacteriën, gisten en andere eencellige organismen. Hetzelfde geldt voor verse groentepuree, die soms gemaakt wordt om een zieke cavia bij te voeren. In gepureerde groente zijn de cellen ook kapot, waardoor de puree een rijke kweekbodem wordt voor micro-organismen. Verse puree is zeer beperkt houdbaar in de koeling; de resten dienen weggegooid te worden.

Men moet bewust zijn van de bovengenoemde gevaren. Echter, het risico van vergiftiging of besmetting is nog geen reden om de cavia het groenvoer geheel te ontzeggen. De voordelen van het voeren van verse planten zijn immers enorm – groenvoer is het beste voeder voor de cavia. De eigenaar moet echter zeer kritisch nakijken waar het groenvoer vandaan komt. Dus, gras plukken langs drukke wegen of honden uitlaatroutes is beslist niet verstandig. Ook gemeentelijke parken en gazonen dienen vermeden te worden.

Men moet opletten met akkerland: het gras en/of andere gewassen worden behandeld met pesticiden. Gras dat aan de rand van aardappel- en maïsvelden groeit kan vervuild zijn met chemicaliën in de eerste helft van de zomer, later in het seizoen (vanaf juli) niet meer. Een braakliggende akker, of een bosrand is meestal veilig. Men kan ook gras en andere planten in eigen tuin kweken. In twijfelgevallen kan men het gras altijd wassen en drogen in een slacentrifuge.

Sommige planten hebben een natuurlijke antibacteriële werking; deze kunnen gegeven worden om de cavia tegen darminfecties te beschermen. Als u regelmatig smalle weegbree, duizendbladkruid, klein hoefblad en bamboe voert, vermindert u de kans op infectieuze diarree.

Giftige planten
Vergiftiging door planten komt heel vaak voor. Geef uw cavia enkel de planten die u goed kent, bv grassoorten, paardenbloemen of klavers; geef geen onbekende planten. Bij twijfel gooi de plant weg. Let op dat er geen giftige planten samen met de eetbare geplukt worden (bv boterbloemen of kruiskruid in het gras). Een vergiftiging door plantengifstoffen kan immers dodelijk zijn.

 

Bronvermelding: Marumoto Veterinary – AltiCure.nl