Ziektes van de onderste luchtwegen

ACUTE INFECTIEUZE PROBLEMEN

Aandoeningen van de onderste luchtwegen zijn altijd serieus, en veelal levensbedreigend. Longontsteking is waarschijnlijk de meest voorkomende doodsoorzaak bij cavia’s.
Wij willen graag onderscheid maken tussen descenderende (afdalende) en directe longinfecties; dit omdat het ziektebeeld en de prognose bij deze twee types anders zijn. Afdalende infecties (meest voorkomend) worden veroorzaakt door opportunistische pathogenen (bacteriën die van natuur aanwezig zijn in de bovenste luchtwegen). Opportunistische pathogenen kunnen weliswaar dodelijk zijn, maar de cavia heeft er enige immuniteit tegen zodat het verloop van de ziekte relatief minder acuut is. Afdalende infecties hebben meestal duidelijke voorafgaande symptomen. Het dier reageert redelijk op de behandeling. Directe longinfecties worden daarentegen veroorzaakt door zeer agressieve ziektekiemen, waar de cavia ook nog geen immuniteit tegen heeft. De infectie treedt onverwacht op en verloopt acuut tot hyperacuut. Uiteraard is de prognose in dergelijke gevallen veel slechter.

DESCENDERENDE (AFDALENDE) INFECTIES

Etiologie en epidemiologie
Infectieuze ziektes van de onderste luchtwegen zijn nagenoeg altijd een gevolg van onbehandelde/verwaarloosde neus- en keelinfecties. Bij gezonde dieren vormt de neus- en keelholte een goed werkende barrière, die de meeste pathogenen tegen houdt. Enkel bij aantasting van de bovenste luchtwegen (infectieus of niet-infectieus) krijgen de ziektekiemen een kans om de longen te infecteren. Wij spreken meestal over descenderende (afdalende) infecties, die in de bovenste luchtwegen beginnen, en zich langzaam naar de longen uitbreiden. Longinfecties treden in deze gevallen niet onverwacht op. Echter, er bestaan ook specifieke pathogenen die de long direct aantasten, zonder voorafgaande fase van neus- en keelontsteking.

In meeste gevallen ziet men de voorafgaande tekens van rhinitis en/of laryngitis (reutelen, niezen, oog- en neusuitvloei). Echter, deze symptomen zijn niet altijd evident – soms kan de infectie van bovenste luchtwegen onopgemerkt voorbijgaan. Dit is zeer gevaarlijk, want op het moment dat de infectie afgedaald is naar de onderste luchtwegen, wordt de toestand van het dier kritisch.

Pathogenese
Het verloop van de ziekte is vrijwel altijd hetzelfde: de ziektekiemen gaan door de luchtpijp, de grote bronchiën, de kleine bronchiën en uiteindelijk bereiken ze de longblaasjes. De verschillende fasen van de infectie lopen vloeiend in elkaar over en zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden. Hieronder beschrijven we twee belangrijkste stadia: bronchitis en pneumonie.

TRACHEÏTIS EN BRONCHITIS

Ontsteking van de luchtpijp (trachea) en bronchiën is het volgende stadium bij uitbreiding van de infectie van de bovenste luchtwegen. De betrokken bacteriën zijn dezelfde die de aantasting van de bovenste luchtwegen veroorzaken (Bordetella bronchiseptica, Pasteurella multocida, Streptococcus spp. en Staphylococcus spp.). Slijm, afgestorven epitheelcellen, etter en eventueel bloed (bordetellose) blokkeren de bronchiën waardoor acute ademnood ontstaat.

Symptomen
De toestand van het dier is kritisch
Er is dyspneu (ademnood), geforceerd ademen met verheven hoofd en mond open, en algemene (niet-specifieke) tekens van lijden
De cavia zondert zich af en zit gebold met rechtopstaande haren
De lichaamstemperatuur kan verhoogd zijn (>39.5 graden), de hartslag en de ademhaling zijn meestal versneld
Er is veel vloeistof in de onderste luchtwegen; dit veroorzaakt veel geluid bij het ademen
Bij bronchitis ontstaat er een diep geluid die men kan waarnemen via auscultatie van de borstkas
Een zeer typisch verschijnsel bij tracheïtis isstridor – een hoge fluitende toon bij het inademen
Stridor wordt veroorzaakt door turbulente luchtstroming in de luchtpijp, en wijst op ernstige congestie van de luchtwegen
Ondanks de klachten probeert de zieke cavia toch te eten
Het dier begint meestal enthousiast aan het voer, echter, na enkele pogingen geeft hij/zij het op
De effectieve voederinname is onvoldoende

Prognose
Deze fase van luchtweginfectie is relatief kort van duur en loopt vloeiend over in de volgende fase – longontsteking. De symptomen moeten uiterst serieus genomen worden. Zonder behandeling is de overlevingskans zeer klein.

BACTERIËLE (BRONCHO)PNEUMONIE. GEWONE LONGONTSTEKING (ALVEOLAIRE PNEUMONIE)

Pathogenese
De microben hebben de long bereikt en richten schade aan het longweefsel. Dit is de meest voorkomende vorm van longontsteking bij cavia’s: de alveolaire pneumonie. De infectie kan gelokaliseerd zijn in de craniale (voorste) longkwabben, maar het kan zich ook uitbreiden naar de hele long.

De typische kenmerken van alveolaire longontsteking zijn:
Infiltratie van ontstekingscellen (bij bacteriële infecties: neutrofielen)
Ophoping van vocht in de longblaasjes (oedeem)
De wanden van de longblaasjes kunnen verdikt zijn door deling van de epitheel cellen en door afzetting van bindweefsel (fibrose, vooral in latere stadia)

Een overzicht van de pathologische veranderingen is weergegeven in Fig. 1.

 

 

Fig. 1. Typische kenmerken van de bacteriële longontsteking, op een histologische snede door de long. De schade is nog relatief licht (H&E kleuring).

 

 

Door vochtophoping en verdikking van alveolaire wanden wordt de uitwisseling van gassen benadeeld. Er ontstaat dus zuurstoftekort en respiratoire acidose (bloedverzuring ten gevolge van ophoping van koolstof dioxide in het bloed). Respiratoire acidose gaat samen met metabole acidose: door zuurstofgebrek treedt er stapeling van melkzuur op.

De meeste pathogenen kunnen de longstructuur aantasten. Vele longblaasjes ruptureren of verkleven; de hele longkwabben kunnen collapsen. Dit is longconsolidatie, die tot atelectase (functieverlies – onvermogen tot opvullen met lucht) leidt. Afgestorven cellen, bacteriën en resten gelyseerd longweefsel vormen etter (vooral bij Bordetella bronchiseptica, Pasteurella multocida, streptokokken). Microscopisch zien wij dat de blaasjesstructuur volledig verdwijnt, en het weefsel in een massa epitheelcellen, ontstekingscellen en debris verandert. Een beeld van suppuratieve (etterige) bronchopneumonie en atelectase zien wij in Fig. 2.

 

Fig. 2. Longconsolidatie en suppuratieve bronchopneumonie. De longstructuur is volledig verloren; het weefsel is geïnfiltreerd door ontstekingscellen (hier: neutrofielen). Wij zien etter in de bronchiën en verschillende etterhaarden in het weefsel (pijlen) (H&E kleuring).

 

Het verlies van een van de longkwabben (ongeveer 20% van de longfunctie) is zeker dodelijk, omdat cavia’s, zoals alle kleine warmbloedige dieren, een hoog behoefte aan zuurstof hebben. Daarnaast produceren vele bacteriën specifieke gifstoffen (zowel endo- als exotoxines) die in de bloedbaan terechtkomen. De toxines veroorzaken onder andere septische shock. Het is dus mogelijk dat het dier sterft ten gevolge van vergiftiging terwijl de longen nog niet significant aangetast zijn.

Het destructieproces stopt niet ter hoogte van de longblaasjes. Het aangetaste longweefsel sterft volledig af en wordt soms gelyseerd; dit komt door de werking van bacteriële toxines. De zogenaamde necrotiserende pneumonie zien wij voornamelijk bij Bordetella en Pasteurella infecties. Etter kan zich in de pleuraholte verspreiden; zo ontstaat er long empyeem of pyothorax. Ook de bloedvaten worden beschadigd. Bij ruptuur van een bloedvat treedt er een bloeding op (haemothorax). Omdat het aangetaste of afgestorven weefsel geen mechanische stabiliteit heeft, kunnen er scheuringen in de long ontstaan, waardoor de lucht in de pleuraholte terechtkomt (pneumothorax of klaplong). Door de bovengenoemde complicaties (pyo-, haemo- en pneumothorax) kan de long zich niet meer opvullen met lucht.

Symptomen
Dyspneu (ademnood) is het hoofdsymptoom. Het dier snakt naar adem en gebruikt de buikspierpomp bij het uitademen
Neus- of ooguitscheiding kan in de beginfase voorkomen, maar later is er meestal niet meer
Ook het diepe rochelende geluid in de borstkas is niet altijd aanwezig. Bij consolidatie van grote stukken longweefsel is er geen geluid (meer) te horen. Dit is zeer verraderlijk: het stoppen van reutelen wordt vaak foutief geïnterpreteerd als een teken van verbetering, terwijl het in feite op een terminale situatie wijst
De spijsvertering blijft redelijk lang goed. Enkel in het gevorderde stadium ontstaat er ileus en gasophoping in de maag (bij ademnood wordt er lucht ingeslikt). Het eetgedrag verandert ook nauwelijks, waardoor men gemakkelijk de ernst van de situatie kan onderschatten
De lichaamstemperatuur kan initieel verhoogd zijn, echter, de periode van koorts is zeer kort van duur. De toestand verslechtert heel snel
De adem ruikt zuur; het is een herkenbare “muffige” geur, die aan karnemelk doet denken. Het wordt veroorzaakt door melkzuurstapeling
De urine heeft een pH lager dan 7.
Huid en slijmvliezen verkleuren blauw (cyanose), lichaamstemperatuur duikt onder 36 graden. In deze fase kan de cavia niet meer geholpen worden

Prognose
Alle vormen van longontsteking zijn uiterst serieus. Er is niet veel tijd voor de behandeling, omdat de toestand van het dier zo snel verslechtert. Onbehandelde cavia’s sterven meestal binnen 24-48 uur. Er zijn weinig cavia’s die de infectie kunnen afweren in zo een korte tijd. Bij onvoldoende behandeling (te korte antibioticakuur of foutieve keuze van antibiotica) worden de ziektekiemen niet volledig verwijderd; er ontstaan dus complicaties zoals permanente ontstekingshaarden en/of abcessen. Ook na een effectieve infectiebestrijding blijven er vaak chronische ademhalingsklachten over. Dit hangt af van de mate van aantasting (fibrose, emfyseem, verkalking) van het longweefsel.

DIRECTE BACTERIËLE INFECTIE VAN DE LONG

De meeste longinfecties zijn descenderend, ofwel afkomstig van de bovenste luchtwegen. Echter, er bestaan ook long-specifieke bacteriën die zich niet in de neus- en keelholte van de cavia vermenigvuldigen, of bacteriën die heel snel naar de longen afzakken omdat de weerstand van de cavia te laag is. Klebsiella,Pseudomonas, streptokokken en enkele andere species kunnen in principe de long direct infecteren; de cavia kan dus vrij plots ernstige ademhalingsproblemen ontwikkelen.

Deze pathogenen behoren niet tot de normale neusflora van de cavia; de cavia heeft dus weinig tot geen immuniteit tegen dergelijke infecties. Klebsiella, Pseudomonas en sommige streptokokken komen voor bij de mens (bij menselijke verkoudheid) of bij overige huisdieren; infectieoverdracht van mens of hond naar cavia is dus een reeël gevaar. Pseudomonas kan zich ook via drinkwater (vuile flesjes) verspreiden. Het gevaar is groter bij verzwakte cavia’s, cavia’s met chronische luchtwegirritaties (slechte hygiëne, stof en rook), en cavia’s die veel contact hebben met de mens.


Sommige luchtwegbacteriën kunnen overgedragen worden van de mens naar de cavia. Deze microben zijn veel schadelijker voor de cavia dan voor de mens; de infectie bij de cavia kan dus fataal verlopen. Bij verkoudheid dient de eigenaar de fysieke contacten met zijn/haar dieren tot het absolute minimum te beperken


Overige bacteriën die directe longinfecties veroorzaken zijn:
Mycobacterium spp. (wettelijk bestreden ziekte, onwaarschijnlijk)
Mycoplasma spp.

De laatste bacterie, Mycoplasma, is moeilijk te bestrijden en kan chronische longklachten veroorzaken. Ook een reactivatie vanuit een oude infectiehaard (bv. een longabces) levert een directe en meestal acuut verlopende longontsteking. Dergelijke gevallen zijn zeer gevaarlijk en zeer verraderlijk, want de klachten ontstaan snel en onverwacht.

VERSLIKPNEUMONIE

Etiologie/pathogenese
Verslikpneumonie is een ontstekingsreactie die ontstaat als er vloeistof of vaste stof in de longen terechtkomt. Verslikpneumonie kan zowel steriel als septisch zijn. Steriele verslipneumonie is echter zeldzaam, omdat er altijd bacteriële bronnen (bv speeksel) aanwezig zijn in de mondholte; er worden dus vrijwel altijd bacteriën meegenomen naar de longen. Speeksel bevat onder andere de fecale bacteriën, dit omdaat cavia’s hun ontlasting opeten. De veratwoordelijke pathogenen bij verslikpneumonie zijn meestal de (facultatief) anaërobe species uit de darm, of toevallige bacteriën uit de huid en/of omgeving (stafylokokken enz.). Ook schimmels en gisten (bv Candida albicans) kunnen bijdragen aan de infectie – candidiasis van de mondholte komt immers vaak voor bij verzwakte dieren.

De belangrijkste oorzaken van verslikpneumonie zijn:
a) Dwangvoeren bij afwezige of slecht werkende slikreflex leidt altijd tot verslikpneumonie, die dan ook meestal fataal verloopt. Ook het forceren van dikke brokstukken (dwang)voer of grote hoeveelheden vloeistof in de mond is zeer gevaarlijk. Bij oprisping van het voer uit het voorste deel van de slokdarm komen de voederpartikels eerst in de neusholte en daarna in de long terecht. Om dit te voorkomen, mag men voor het dwangvoeren uitsluitend 1 ml spuitjes gebruiken, en liefst niet meer dan 0.5 ml vloeistof per keer in de mond spuiten. Verslikpneumonie met olie of simeticon (anti-gasmiddelen) is bijzonder gevaarlijk; daarom mag men deze supplementen nooit voeren bij slikproblemen. Speciale voorzichtigheid is aangeraden bij cavia’s die reeds ademhalingsproblemen hebben, cavia’s met kaakafwijking (malocclusie) of brugvorming van de kiezen, of cavia’s met chronisch nierfalen. Slikproblemen maken immers deel uit van het ziektebeeld bij luchtweg-, gebits- en nierziektes. Spontane verslikking, zonder dwangvoeren, komt bij deze cavia’s ook heel vaak voor

b) In narcosetoestand (bij meeste narcosemiddelen, en zeker bij isofluraan) wordt er veel speeksel geproduceerd. Onbewuste dieren slikken niet, waardoor hun speeksel de longen in vloeit. Na de operatie treden er dus ernstige ademhalingsklachten op. Verslikking met zuiver speeksel is meestal onschuldig, maar zodra er andere vloeistoffen of objecten in de long terechtkomen wordt de situatie serieus. Daarom is het essentieel om de mondholte voor de operatie zo goed mogelijk schoon te maken, zodat er geen voederpartikels aanwezig zijn. Soms gebruikt men atropine om speekselproductie te onderdrukken, echter, dit is ook niet zonder risico’s, omdat het post-operatief ernstige spijsverteringsstoornissen (ileus) veroorzaakt. Een speciale casus is een kiescorrectie (vijlen van de kiezen) onder narcose. Door het vijlen komt er vast materiaal (vermalen tandweefsel) vrij. Dit “zaagsel” wordt niet of onvoldoende verwijderd door de chirurg, en komt in de long terecht

De problemen ontstaan hoofdzakelijk bij ernstig zieke en verzwakte dieren.

Verslikpneumonie is een vaak voorkomende complicatie van vijlen; het is ook vaak de doodsoorzaak na de operatie. In niet-lethale gevallen persisteren de ademhalingsklachten zeer lang, omdat het vermalen tandweefsel niet uit de longen verwijderd kan worden (uiteindelijk zal het granulomateuze ontstekingshaarden vormen en verbindweefselen). Partikels, ontstekingshaarden en overige letsels kunnen soms radiografisch waargenomen worden.

Symptomen en controle
De hoofdsymptomen van verslikking zijn:
Hoesten
De mond dwangmatig open en dicht maken
De oren naar voor en naar achter bewegen
Daarna ontstaat er een diepe (bronchiale) reutel

Als u een van deze symptomen merkt, stop onmiddellijk met het dwangvoeren. Hef de cavia op en hou hem/haar met de achterhand verheven en het hoofd iets naar beneden. Knijp de cavia in de luchtpijp, zo laag mogelijk, op de overgang tussen de nek en de borstholte (tussen de sleutelbenen). Dit versterkt de hoestreflex en helpt de ingeademde partikels te evacueren. Laat het dier volledig tot rust komen en behandel eventueel met antibiotica en ontstekingsremmers.

HEMATOGENE INFECTIES

Etiologie/pathogenese
Niet alle longinfecties komen binnen via de bovenste luchtwegen. Een belangrijkste klasse luchtweginfeties heeft andere intredepoorten, en bereikt de long via het bloed.

De best bekende infecties in deze categorie zijn de infecties met enterobacteriën:
Salmonellose
Yersiniose (rodentiose)
Virale infecties

De intredepoort van de enterobacteriën is de darm. Uit de darm worden ze getransporteerd in witte bloedcellen naar de long, lever en milt. De infecties kunnen hyperacuut verlopen, zodat het dier sterft voordat de longklachten zich voordoen. Echter, in vele gevallen neemt de ziekte (vooral bij rodentiose) de chronische vorm aan.

De geïnfecteerde cavia’s vertonen diverse klachten:
Longontsteking
Blaasontsteking
Opgezette lymfeknopen
Algemene slechte conditie
Sterke vermagering

Post mortem vindt men typische infectiehaarden (granulomen) in de long, lever en milt. Granulomen zijn soort van “abcessen” gevuld met harde kaasachtige substantie, en omhuld door een dik kapsel van bindweefsel. Het verschil tussen granuloom en abces ligt vooral in het type van de centrale necrose: kaasachtig – caseus versus (half)-vloeibaar – colliquatief, de dikte van het bindweefselkapsel, en het type ontstekingscellen die erbij betrokken zijn (macrofagen/reuze cellen versus neutrofielen). Het laatste is uiteraard enkel te zien op histologische sneden, het is dus weinig van belang in allerdaagse praktijk. Granulomen kunnen tot 1 cm groot zijn en ze zitten ingebed in het longweefsel (nooit in de borstholte). Ze zijn meestal verkalkt; een Röntgen foto van de thorax is dus een goed diagnostisch middel.

LONGMYCOSEN (SCHIMMELINFECTIES)

Etiologie/pathogenese
Schimmelinfecties van de long kunnen optreden samen met (of secundair aan) de infectie van de bovenste luchtwegen. Echter, bepaalde schimmelsoorten (Absidia, Mucor enz.) kunnen de long direct infecteren. Soms maar niet altijd zijn er ook gastrointestinale symptomen (diarree of tympanie). De cavia kan beschimmeld voeder/hooi opeten, of enkel de schimmelsporen inademen om een longinfectie op te lopen. Schimmelinfecties treffen vooral jonge cavia’s (na het spenen), verzwakte dieren en dieren met chronische luchtwegirritaties.

Longmycose verloopt hyperacuut, met ernstige ademhalingsklachten en sterfte binnen 24 uur. Veralgemeende mycosen worden vaak gezien als een “mysterieuze” of “onverklaarbare” doodsoorzaak bij cavia’s. Het belang van schimmelinfecties in de eerstelijns veterinaire zorg wordt onderschat.

Diagnose
Diagnose is niet zo eenvoudig; longmycose kan enkel worden vastgesteld door middel van lijkschouwing. Mycose produceert wel een typisch patroon van gele of grijze ronde vlekken die vooraal aan het pleura oppervlak verschijnen (meestal is de hele long aangetast), maar definitieve diagnose stelt men in het laboratorium. Er wordt een coupe van het longweefsel van een overleden dier gemaakt en ingekleurd met een specifieke kleuring voor schimmel (zilver, PAS). Men kan ook schimmel uit de weefselstalen kweken.

Behandeling
Bestaat uit antimycotica (itraconazol, terbinafine); echter, er wordt meestal geen rekening gehouden met mycose als de mogelijke oorzaak van longontsteking. Wij raden aan om bij zware longklachten altijd (al dan niet preventief) antimycoticum te geven, bijvoorbeeld itraconazol aan 5 mg/kg lg of terbinafine aan 10-20 mg/kg lg.

VIRALE INFECTIES (INTERSTITIËLE PNEUMONIE)

Etiologie/pathogenese
Het belang van virale pneumonie bij cavia’s is nog niet helemaal duidelijk. Weinig cavia-specifieke virussen van het ademhalingsstelsel zijn bekend en de bekende virussen zijn relatief zeldzaam en laag tot matig pathogeen. Op basis van de veterinaire literatuur kan men stellen dat virussen geen belangrijke longpathogenen zijn bij cavia’s (dit in tegenstelling tot andere dieren, waar virussen juist de belangrijkste en gevaarlijkste ziekteverwekkers zijn). Echter, er bestaan aanwijzingen van een hyperacuut verlopende longziekte (het dier gaat dood binnen enkele uren na het ontstaan van symptomen), die mogelijk veroorzaakt wordt door een ongeïdentificeerd virus. Het virus zou dan latent aanwezig moeten zijn bij (schijnbaar) gezonde cavia’s. Dit probleem dient nog verder onderzocht te worden.

Virusinfectie treedt (meestal) binnen via de bovenste luchtwegen. Het virus gaat zich primair vermenigvuldigen in de tonsillen; daarna wordt het getransporteerd door het bloed (primaire viraemie) naar het doelorgaan – meestal long, maar mogelijk ook lever en milt.

Post mortem vindt men een typisch beeld van interstitiële pneumonie. Het interstitium van de long (de cellulaire massa tussen de blaasjes, die normaal klein van omvang is) neemt sterk toe in volume. Er zijn veel cellen aanwezig; het zijn geen basofielen (zoals in virale infecties bij overige dieren), maar cavia-specifieke Kurloff cellen. Verder is er toename van de hoeveelheid fibroblasten en epitheelcellen. Een typisch beeld vindt u in Fig. 3.

 

Fig. 3. Interstitiële pneumonie, vermoedelijk door een virale infectie. De longstructuur is nog behouden, er is geen etter en geen exsudaat in de blaasjes. Pijlen: specifieke ontstekingscellen (Kurloff cellen), links onder: een enkele Kurloff cel (H&E kleuring)

De verdeling van de letsels is lokaal uitgebreid tot diffuus – meestal is de hele long aangetast. Uiteraard vindt men bij gestorven dieren ook verschillende bacteriële letsels (superinfecties komen vaak voor). Vaak is de schade aangericht door bacteriën (en hun toxines) de definitieve doodsoorzaak.

 

 

Symptomen
Bij zuiver virale pneumonie (zonder bacteriële superinfectie) zien we hoofdzakelijk ademnood en weinig andere symptomen. Typische kenmerken van bacteriële infecties zijn afwezig. Er is dus meestal geen geluid en geen uitscheiding uit de neus/ogen. Er kan een koortspiek ontstaan op het moment dat het virus in de bloedbaan terechtkomt. Bij zeer agressieve virale infecties (zeldzaam) kan de cavia binnen enkele uren na het ontstaan van de symptomen doodgaan. Diagnose is bij levende dieren nagenoeg onmogelijk. Post mortem kan men histologisch onderzoek uitvoeren van longen, lever, milt en overige organen.

Behandeling
Er bestaat geen effectieve behandeling van virale infecties. Men kan secundaire bacteriële infecties bestrijden met antibiotica. Dit is meestal voldoende bij weinig agressieve virussen (het merendeel). Bij zeer agressieve species (zeldzame gevallen met hyperacuut verloop) zal iedere therapie falen.

COMPLICATIES EN CHRONISCHE PROBLEMEN

Longontsteking verloopt meestal acuut, met sterfte binnen enkele dagen. Echter, men kent ook chronische of slepende longaandoeningen. Langdurige ontsteking veroorzaakt altijd permanente schade aan het ademhalingsstelsel.

De belangrijkste complicaties van longontsteking zijn:
COPD
Fibrose
Emfyseem

Etiologie/pathogenese
COPD (chronic obstructive pulmonary disease) is eigenlijk geen ziekte, maar een verzamelnaam voor alle chronische ademhalingsklachten. COPD bij cavia’s is meestal een sequeel van een onvoldoende behandelde longinfectie, waardoor de ontsteking te lang heeft aangehouden. Door de langdurige ontsteking wordt er veel bindweefsel afgezet in de alveolaire septa. De infectie zelf kan al genezen zijn, maar het bindweefsel verdwijnt niet. Bindweefsel afzetting vergroot de lucht-bloed barrière en benadeelt de uitwisseling van gassen. Bovendien verliest de long zijn vermogen tot uitzetten (compliantie) zodat de opname van zuurstof minder efficiënt wordt. De longfunctie is dus permanent verslechterd, waardoor het dier chronisch tekort aan zuurstof heeft. Ter compensatie ontstaat er emfyseem: de wanden van longblaasjes verbreken en de blaasjes fuseren tot grotere structuren om de oppervlakte van de lucht-bloed barrière te vergroten. De long krijgt een karakteristieke “bubbelfolie” structuur. Uiteraard is dit compensatiemechanisme beperkt in zijn werking. Emfyseem zien wij vooral aan de randen van de long, bij dieren die gestorven zijn aan ernstige ademhalingsstoornissen (Fig. 4).

 

Fig. 4. Randemfyseem bij een cavia die aan een chronische longziekte is gestorven.
Pijlen: vergrote longblaasjes (H&E kleuring)

 

 

 

Symptomen
COPD manifesteert zich als chronische ademnood, geforceerd ademen en veel slijmproductie in de onderste luchtwegen (diep rochelend geluid, soms maar niet altijd met uitscheiding uit de neus)
De cavia gaat sterk achteruit in conditie
De eetlust daalt, het dier slaapt veel en is weinig actief
Gaskolieken zijn niet zeldzaam
Er is meestal gewichtsverlies, maar het komt voornamelijk door de afbraak van spieren. De cavia kan nog vrij veel lichaamsvet hebben, nochtans voelt het lichaam slap en futloos
Chronische longpatiënten zijn gevoelig voor herinfecties

Behandeling
Er bestaat helaas geen specifieke behandeling. Men kan beta-adrenerge middelen proberen en de algemene voedingstoestand van het dier verbeteren. Wij raden aan een cavia met COPD levenslang antibiotica te geven, om eventuele relapsen van de acute ziekte te voorkomen. COPD blijft een lastig probleem; de levensverwachting van een cavia met dergelijke chronische klachten is niet hoog.

ABCESSEN EN OVERIGE ONTSTEKINGSHAARDEN

Etiologie/pathogenese
Longabcessen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door Pasteurella multocida en streptokokken. Meestal hebben we te maken met een longinfectie die (schijnbaar) succesvol behandeld is. De acute klachten zijn verdwenen en de eigenaar en/of zijn/haar dierenarts beslist de antibioticakuur te beëindigen. Echter, sommige ziektekiemen blijven achter of boren zich door het borstvlies. Zo ontstaan er ingekapselde infectiehaarden in de long zelf (intrapulmonair) en/of in de pleuraholte (intrapleuraal). Abcessen zijn omringd door een kapsel van bindweefsel, waardoor ze moeilijk doordringbaar zijn voor ontstekingscellen, antibiotica enz.

Abcessen groeien langzaam en kunnen er jarenlang aanwezig zijn. De cavia scheidt nagenoeg geen ziektekiemen uit, dus de besmetting van de hok genoten is niet waarschijnlijk. Het abces is echter een infectiereservoir voor de drager zelf. Vooral de intrapulmonaire abcessen veroorzaken acute problemen – ze zijn immers onderhevig aan mechanische stress bij het opvullen van de long. Het komt dus regelmatig voor dat er een bloedvat ruptureert, of dat er lekkage van infectieuze stoffen uit het abces optreedt. Opflakkeringen vanuit oude ontstekingskernen treden vaak op en leiden snel tot de dood van het dier.

Symptomen
Longabcessen veroorzaken vage klachten. De typische luchtwegsymptomen (neusuitscheiding, geluid) zijn meestal niet waarneembaar; men zal dus niet gauw denken aan een longziekte. Wij zien dat het dier vermagert ondanks redelijk goed eten. Het lichaam verliest spiermassa en voelt slap aan. De cavia kan soms geforceerd ademen, maar vaak is het ademhalingspatroon normaal. Het dier wordt wel minder actief en snel moe. Trage hartslag en lage lichaamstemperatuur worden ook geconstateerd. Deze vage symptomen worden meestal (en veelal ook terecht) toegeschreven aan hartklachten. Hartinsufficiëntie is immers een bekende complicatie van chronische longklachten. Als er een opflakkering optreedt zien wij een catastrofale verslechtering, acute ademhalingsproblemen, cyanose en collaps. De acute fase is zeer kort van duur, het dier kan binnen een dag doodgaan.

Diagnose
Kan soms worden gesteld aan de hand van radiografie van de thorax. Longletsels kunnen verschijnen als radio-opaque nodules, dit omdat ze vaak calciumrijk zijn. Verkalking is typisch voor granulomateuze ontstekingshaarden, zoals bij slepende infecties met Yersinia pseudotuberculosis of andere enterobacteriën. Longabcessen of granulomen zijn een typische autopsie bevinding. Men kan hier een bacteriologisch onderzoek uitvoeren om de pathogenen te identificeren, en de wonden histologisch bekijken. De vorm en de lokalisatie van de letsels zegt veel over hun oorsprong. Bijvoorbeeld, als men harde, verkaasde haarden vindt, zowel in de long, als in andere organen (lever, milt, lymfeknopen), denkt men aan enterobacteriën (Yersinia). Als er grote zachte wit-gele abcessen zich in de pleuraholte bevinden denkt men eerder aan Pasteurella, en kleine witte gedissemineerde nodules in de long zelf wijzen op streptokokken.

Behandeling
Voor de behandeling van longabcessen moet men specifieke antibiotica gebruiken. Chlooramfenicol (10 mg per kg lichaamsgewicht, 2 keer per dag) is zeker aan te raden, omdat chlooramfenicol redelijk goed in het abceskapsel doordringt. Men moet echter opletten, want sommige cavia’s reageren slecht op chlooramfenicol (risico van diarree). Het is beter om eerst een halve dosis (5 mg) te proberen en observeren hoe het dier reageert. Chlooramfenicol kan eventueel gecombineerd worden met fluoroquinolonen of tetracycylines (doxycycline, 10 mg/kg lg 1 keer per dag). De behandeling duurt heel lang, ten minste 4 weken en mogelijk enkele maanden. Men dient regelmatig rx foto’s van de borstkas te nemen.

Prognose
De abcessen worden meestal veel te laat ontdekt, zodat er geen tijd meer is voor de behandeling.


Wij raden aan om cavia’s met chronische vage ademhaling- en hartklachten te onderzoeken op longabcessen, zeker als het dier al eerder longziektes had. Een longabces is een tijdbom. Het komt vaak voor en kan ieder moment acute klachten veroorzaken. Het is ook aan te raden om cavia’s die positief zijn heel lang, soms levenslang, met antibiotica te behandelen


ALLERGISCHE (EOSINOFIELE) BRONCHITIS/PNEUMONIE

Etiologie/pathogenese
Allergische pneumonie lijkt op allergische rhinitis (type I overgevoeligheid). Kort samengevat: blootstelling aan het allergeen veroorzaakt vrijstelling van bepaalde ontstekingsstoffen, waaronder histamine. Ter hoogte van de onderste luchtwegen veroorzaakt histaminebronchoconstrictie – een vernauwing van bronchiën waardoor ademhaling benadeeld wordt. Er wordt ook extra veel slijm geproduceerd omwille van de ontstekingsreactie. Allergische reacties in de onderste luchtwegen worden hoofdzakelijk veroorzaakt door schimmels en schimmelsporen. Schimmel(-sporen) bevinden zich hoofdzakelijk in slechte-kwaliteit hooi. Vroegere longinfecties (ook als ze schijnbaar volledig genezen zijn), vooral longmycosen, kunnen een predispositiefactor zijn.

Symptomen
Chronische ademhalingsproblemen, die niet verbeteren na toediening van antibiotica
Er is meestal diepe bronchiale reutel en veel neusvloei
De cavia lijkt er echter weinig last van te hebben (DDx: dit is het verschil met de echte infectieuze longontsteking)

Diagnose
Diagnose stellen is moeilijk. Meestal wordt allergische bronchitis gediagnosticeerd via eliminatie van andere oorzaken, zoals infecties (als er geen reactie op antibiotica is). Men kan histologisch onderzoek van het longweefsel laten uitvoeren en naar specifieke ontstekingscellen zoeken. Dit kan uiteraard enkel post mortem, als de cavia om een andere reden overlijdt (cavia’s gaan immers niet dood aan allergische ademhalingsproblemen).

Behandeling
Is hoofdzakelijk gericht op het verminderen van stof in de omgeving. Stoffig en slecht ruikend hooi mag zeker niet gegeven worden. Soms helpt het om de cavia handdoeken of fleece te geven als bedding. Behandeling met steroïdale ontstekingsremmers heeft totaal geen zin. Bij ernstige benauwdheid kan men Loratadine (een humaan middel met een anti-histamine werking, te verkrijgen over the counter bij de apotheek) geven, aan 1 mg een keer per dag. Beta-adrenerge middelen verbeteren de ventilatie door het verwijden van de onderste luchtwegen; men kan deze toedienen via inhalatie of neusspray (Salbutamol spray voor mensen). Langdurig en/of overmatig gebruik is echter afgeraden vanwege de nadelige invloed van beta-adrenergica op de hartfunctie. Men kan eventueel ook inhalatie van etherische olie proberen (zie algemene Behandeling); dit is uiteraard enkel een steunmiddel.

Prognose
De klachten zijn hardnekkig. Het verbeteren van bedding en voer (vitaminerijk voer, vooral goede-kwaliteit hooi) kan de levenskwaliteit van de cavia verhogen, maar het volledige herstel is niet altijd mogelijk.

OVERIGE COMPLICATIES

Etiologie/pathogenese
Langdurige ademhalingsklachten hebben een nadelig effect op het functioneren van het hele lichaam. Vermagering en spierafbraak werden reeds vermeld in de beschrijving van COPD en abcessen. Daarnaast zien wij opvallend vaak dat cavia’s met chronische longziektes ook hartproblemen ontwikkelen. De verklaring ligt voor de hand: een dier, dat continu te weinig zuurstof binnen krijgt, compenseert dit door het verhogen van de hartoutput. Deze compensatie werkt maar beperkt, en leidt op termijn tot verslechtering van de hartfunctie.
Het typische beeld is dilatoire cardiomyopathie, oftewel, vergroting van het hart met verlies van contractiekracht. Meestal begint het met de vergroting van het rechter hart (dat bloed naar de longen pompt), omdat de bloeddruk in de long toeneemt door ontstekingsprocessen, bloedvaten degeneratie enz. Later zijn wij een veralgemeend effect op de hele circulatie.
Een specifieke aantasting van het hart komt voor na verwaarloosde streptokokken infecties. Deze aantasting is auto-immuun van aard. Het persisterende streptokokken antigen geeft een langdurige prikkel aan het immuunsysteem en zet de lymfocyten aan tot productie van antistoffen. Het streptokokken antigen lijkt qua structuur op eiwitten die op de hartkleppen aanwezig zijn; de antistoffen vallen dus ook de hartkleppen aan. Dit kan gezien worden als een type II overgevoeligheid; het resultaat is een chronische ontsteking van de binnenzijde van het hart (endocarditis).

Symptomen
De cavia gaat algemeen achteruit
Vermagert
Wordt snel moe en slaapt veel
Door slechte bloedafvoer uit de long ontstaat er alveolaire oedeem (vochtophoping in longblaasjes, zoals bij bacteriële longinfecties – Fig. 1), wat de ademhaling verder benadeelt
Meestal is er geforceerde ademhaling met diepe bronchiale geluiden
De cavia ligt vaak in een opvallende positie, steunend op het borstbeen met voorpoten uitgestrekt naar voren
In de eindfase is er blauwe verkleuring van de huid en slijmvliezen (cyanose). Dit is moeilijk te onderscheiden van de chronische longsymptomen; er is in dergelijke gevallen immers ook longschade aanwezig

Diagnose
Auscultatie van de borstkas laat meestal een eenduidige diagnose toe. Men hoort in het algemeen een zwakke en trage hartslag, soms kleppenruis, en afwijkende ritmes met het frequente overslaan van hartslagen (vermoedelijk 2-de graad AV blok). De afwijking kan desnoods gekarakteriseerd worden met behulp van een elektrocardiogram (dit vergt aanpassing van de bestaande apparaten).

Behandeling
Ten eerste moeten de medicaties, die de hartfunctie benadelen, stopgezet worden.
De schadelijke medicijnen zijn: steroïdale ontstekingsremmers (dexamethasone), en de meeste middelen die juist voor de behandeling van longklachten ingezet worden – beta-adrenergica (salbutamol), theofylline en anti-histaminica (loratadine).
Ook metoclopramide en cisapride, die men routinematig geeft bij darmklachten (ook bij cavia’s met chronische benauwdheid, omdat ze vaak gas in de maag krijgen), zijn niet aan te raden bij hartpatiënten. Verder kan men een steuntherapie toepassen.

LONGTUMOREN

Dit vermelden wij voor de volledigheid. Longtumoren komen uiterst zelden voor bij cavia’s. In de zeldzame bekende gevallen gaat het over adenocarcinoma’s (tumoren van het klierweefsel, zoals melkklier tumoren), die zich uitzaaien naar de long. Enkel zeer agressieve kwaadaardige tumoren kunnen metastaseren (zich uitzaaien). In dergelijke gevallen gaat de cavia binnen enkele dagen dood. Er bestaat geen behandeling.

 

Bronvermelding: Marumoto Veterinary – AltiCure.nl

Laat een bericht achter...